De (on)zekere wereld van Julie

37 jaar, moeder van twee zonen en leerkracht Nederlands. Verliefd op Max Porter en Connie Palmen. Parttime volwassene die het leven onder controle heeft; fulltime navigator door chaos en rondslingerende legoblokjes. Fervente voorstander van de reddende kracht van ironie, zelfrelativering en prosecco. En sinds kort officieel: struggelende schrijfster van columns.

Over moederschap zonder Pinterest-perfectie, pokerfaces in de klas en professioneel doen alsof je weet waarmee je bezig bent. Over de rommelige werkelijkheid achter het keurige plaatje. Over zelfvertrouwen dat komt en gaat. Over het leven, de dood en alles daartussenin.

Soms scherp, soms zacht, altijd eerlijk.

Welkom in mijn (on)zekere wereld.

Volg me op Instagram


Aflevering 5: zwart-wit verdriet

Ik zat op de luchthaven van Barcelona toen mijn moeder me vertelde dat ze wilde sterven.

Ik herinner me de mensen. Reizigers met zonnebrillen in hun haar en felgekleurde koffers aan hun voeten, genietend van een laatste drankje op het terras. Een man in een donker kostuum, te warm gekleed voor de hitte buiten, zijn hoofd nat van het zweet. Twee vrouwen van middelbare leeftijd die in lachen uitbarsten; ze roepen iets onverstaanbaars en tillen hun oranje cocktails met parasolletjes hoog in de lucht. Wachtende passanten met zeeën van tijd, zeeën van zorgeloosheid, zich niet bewust van de huilende vrouw in het midden van het terras voor wie de wereld op dat moment stilstond.

Ik herinner me het rumoer. De geur van gegrilde tapas. De lege glazen, het kommetje met de vergeten nacho, het restje nagellak op mijn linkerpink, de witte bloemen op mijn jurk. De telefoon tegen mijn wang. Het gevoel dat ik moest overgeven.

De citytrip was een voorstel van mijn beste vriendin: drie dagen Barcelona, alleen wij tweetjes, gevuld met onze favoriete bezigheden: shoppen, kletsen, lekker eten en ongelimiteerd aperitieven. Drie dagen weg van huis, van vergaderingen en deadlines, van vermoeiende collega's en opeenstapelende Smartschoolberichten. Weg van huishoudelijke chaos en koken voor kinderen die niets lusten. Weg van België. Weg van de groeiende tumor in mijn moeders hoofd.

We hadden de laatste plaatsen bemachtigd op het terras. Cath bestelde de drankjes voor onze afsluitende aperitief – de tel waren we allang kwijtgeraakt – terwijl ik mijn moeder belde. Het was de eerste keer sinds haar diagnose dat we elkaar langer dan twee dagen niet hadden gesproken. Ik glimlachte wanneer ik haar stem hoorde. Ze klonk stiller dan anders. Ik hoorde meteen dat ze iets verzweeg.

'Ik kan niet meer,' zei ze na een tijdje. 'Ik kan niet meer. Ik kan niet meer. Ik kan niet meer.'

Ik zei niets. De reizigers vervaagden. Het terras werd wazig. Ik sloot mijn ogen en voelde mezelf verdwijnen, terwijl de vier lettergrepen nagalmden in mijn hoofd.

En ik weet nog hoe mijn vingers zich om mijn telefoon klemden, harder, steeds harder, tot mijn hand helemaal gevoelloos werd. Hoe ik opkeek en Cath zag naderen in mijn ooghoek, de twee grote glazen wijn in haar handen als een misplaatste trofee. Hoe haar blik op slag veranderde toen ze mij zag, hoe ze plaatsnam en ik in haar zonnebril de weerspiegeling zag van mijn gezicht, nat van tranen, veel natter nog dan de bezwete man in kostuum, de mascarastrepen op mijn wangen als een zwart-wittekening van verdriet.
Ik. Kan. Niet. Meer.

Die avond lag ik bij mijn moeder in de zetel. We zwegen het grootste deel van de tijd. Ze hield me vast en streek door mijn haar, zoals ze vroeger deed toen ik een kind was. Voor het eerst in zes maanden voelde ik haar kalmte terug. Ik sloot mijn ogen en ademde haar geur in. Zo bleven we de rest van de avond zitten, haar armen stevig om me heen geklemd. Het verdriet gegraveerd in onze gezichten. Onze stilte krachtiger dan woorden.

Ze wist dat ik het begreep. Ik wist dat ik haar moest loslaten.

Vijf dagen later hield ik voor de laatste keer mijn moeders hand vast. Ze glimlachte. Toen liet ze los.     

Aflevering 4: La dolce vita van het onderwijs

Volgende week trek ik met mijn leerlingen naar Rome.

De apotheose van hun schoolcarrière, de ultieme afsluiter van het laatste jaar. Vijf dagen zon, cultuur, zoemende Vespa's en pizza's op terrasjes. Rome zien en afstuderen. Slechts één klein detail: we gaan met de bus. Twintig uur, vijftig leerlingen, dertig vierkante meter – La dolce vita van het onderwijs.

Mijn vrienden verklaren me gek. Waarom zou ik in godsnaam vrijwillig meegaan op een busreis met vijftig pubers? Een reis die ik bovendien zelf mee organiseer, in de naïeve veronderstelling dat een groep tieners met gierende hormonen ooit tevreden kan zijn. Eenmaal ter plaatse ben je als leerkracht alles tegelijk: toezichter, gids, mama, potentiële brandblusser en – niet onbelangrijk – eindverantwoordelijke voor hun leven.

Mijn jongere zelf had zich allang uit de voeten gemaakt. Leerkracht worden was nooit het plan. Met twee ouders in het onderwijs was ik vastberaden mijn eigen pad te volgen. Na een reeks sollicitaties belandde ik uiteindelijk als communicatiemedewerker in een IT-bedrijf. Een wereld waar ik geen jota van begreep ...

Hoe ik erin geslaagd ben, weet ik nog steeds niet; maar ik bleek verrassend goed in mijn job. Als er een prijs bestond voor het verkopen van de meeste ERP-systemen zonder enig idee te hebben wat ze deden, had ik ongetwijfeld goud gewonnen. Ik blufte me door gesprekken met IT-managers, goochelde met vakjargon en prees de nieuwste software alsof ik ze zelf had ontworpen.

In het midden van het kantoor stond een groot whiteboard waarop een rangschikking werd bijgehouden van wie er per week de beste resultaten had behaald. Hoe meer plaatsen ik mijn naam naar boven zag verschuiven, hoe fanatieker ik raakte. Ik werd een targets-terrorist.

Na enkele maanden was het zover: mijn naam verscheen bovenaan het bord. De manager noemde me 'één van de meest beloftevolle starters op de werkvloer'. Mijn carrière was gelanceerd. De mogelijkheden waren eindeloos.

Ik ervaarde vooral leegte. Nooit eerder had ik me zo ontzettend zinloos gevoeld.

Twee dagen later diende ik mijn ontslag in. De week daarna startte ik een interimopdracht in het onderwijs. Zonder ervaring, zonder lerarenopleiding, zonder lesmateriaal om op terug te vallen. Alles was nieuw. Ik puzzelde tot laat in de avond lessen in elkaar, improviseerde aan de lopende band, ontweek moeilijke vragen – een vaardigheid die ik mezelf ondertussen vakkundig eigen had gemaakt – en hoopte vooral dat ik niet door de mand zou vallen.
Het was verwarrend. Overweldigend. Intens. Ik vond het heerlijk.

Veertien jaar later improviseer ik nog steeds, alleen valt het minder op. Ik ben een ramp in administratie. Ik heb een hekel aan nutteloze vergaderingen en klassenraden die eindeloos blijven duren. De koffie in de leraarskamer smaakt naar zeep. Maar ik hou van lesgeven. Van gesprekken die uit de bocht gaan. Van leerlingen die me scherp houden. Van de twijfel, het zoeken, de verwondering, het gevoel dat je bijdraagt aan iets groter dan jezelf.

En heel af en toe krijg je het voorrecht om deel uit te maken van één van de meest onvergetelijke ervaringen uit een schoolcarrière. Vijf dagen Rome. Twintig uur onderweg. Vijftig verhalen in wording. Dat alleen al is me veel meer waard dan mijn naam op een whiteboard.

Of mijn lijf daar na twintig uur nog hetzelfde over denkt, is een ander verhaal.

Aflevering 3: Schuldgevoel in stervorm

Ik wist niet zeker of ik kinderen wilde.

Tijdens babyborrels hield ik me liever op de achtergrond, bij voorkeur nippend aan een glas prosecco, terwijl ik toekeek hoe mijn vriendinnen zich met wijd uitgestrekte armen rond de pasgeborene drongen, als een rommelige Circle of Life-choreografie. Vrouwen van mijn leeftijd, gewapend met ellebogen en gemanicuurde nagels, vastberaden om als eerste het kersverse kind te claimen. Een rugbyploeg van hormonale extase.

Wanneer de baby dan toch ongevraagd in mijn armen werd gelegd – ik kon immers al eens 'oefenen' – durfde ik me nauwelijks te verroeren. Ik bleef krampachtig in dezelfde houding zitten, onwennig en overweldigd, doodsbang dat ik het kind zou laten vallen en voorgoed verbannen werd uit de vriendengroep. Mijn moederinstinct even onbereikbaar als de fles prosecco in de koelemmer.

Mijn man accepteerde mijn twijfels en legde de beslissing in mijn handen. We trouwden. We kochten een huis. De druk werd groter. Terwijl vrouwen in mijn omgeving spraken over rammelende eierstokken en tikkende klokken, had ik nog steeds geen idee wat ik wilde. Ik voelde helemaal niets. Mijn moeder stelde me gerust: verlangen laat zich niet inplannen. De goedbedoelde e-mails van mijn schoonmoeder – 10 manieren om je vruchtbaarheid te boosten – bleken dan weer minder effectief.

Het schuldgevoel over moeder-zijn begint lang voordat je het werkelijk bent. Schuldig om het gebrek aan moederinstinct. Schuldig om je aarzelende kinderwens. Schuldig om niet te voldoen aan de norm, om de afkeurende blikken in je hoofd, de twijfels, de onzekerheid, de angst om de verkeerde beslissing te nemen. Een schuldgevoel zonder precies te weten wat je nu eigenlijk verkeerd hebt gedaan.

Mijn moeder kreeg uiteindelijk gelijk. Het verlangen naar een kind werd steeds sterker. Mijn moederinstinct had me ingehaald, hoewel er meteen weer nieuwe twijfel ontstond: Was mijn verlangen opgewassen tegen de verpletterende verantwoordelijkheid van een kind?

Ondertussen ben ik bijna negen jaar moeder en – ook al is het me gelukt mijn kinderen nooit uit mijn armen te laten vallen – voel ik me nog steeds schuldig. Ze krijgen te veel schermtijd. Te veel cadeautjes. Ze vechten te hard, te vaak, te wild. Als ontbijt mengen ze vier soorten cornflakes in één pot. Ik maak geen brooddozen met aparte vakjes. Ik snijd geen worteltjes in stervorm. Ik heb geen zin om voorleesmoeder te zijn. Ik haat smalltalk aan de schoolpoort. Er zijn te veel regels. Er zijn te weinig regels. Ik ben te streng, te laks, te bemoeizuchtig, te onverschillig. Ik ben alles wat ik nooit dacht te zijn en ik hou ervan.
Het schuldgevoel is verschoven, hoewel het nog steeds niet duidelijk is wat ik verkeerd heb gedaan.


Gelukkig weten mijn kinderen het altijd beter dan ik. 

Aflevering 2: De kracht van hoge hakken

Op de eerste schooldag draag ik altijd hakken.

Het is mijn manier om zelfzekerheid te veinzen, een poging tot het trotseren van de tientallen blikken op mijn gezicht. Elke stap is een schaakstuk. Berekend. Trefzeker.
Het getik op de tegels als dekmantel voor mijn ongemak.

Pubers zijn meedogenloos. Vanaf het moment dat je als leerkracht het klaslokaal betreedt, vallen alle zekerheden weg. Ze zien alles. Ze registreren alles. Je ademt diep in, recht je rug en doet alsof je weet waarmee je bezig bent, beseffende dat elke blunder, elke verspreking, elke kapotte rits of verkeerd geknoopte blouse onherroepelijk tot je ondergang kan leiden.
Langzaam maar zeker voel je alle houvast wegglippen tot er niets overblijft dan lijdzaam toekijken hoe het klaslokaal transformeert tot een arena van afkeurende blikken, hun opgetrokken wenkbrauwen en rollende ogen als permanente afwijzing van je gezag. Lesgeven is een strijd.

Tijdens mijn lerarenopleiding werd een oplossing aangeboden. Een gastdocent drama raadde aan om, als een leerling je gezag ondermijnt, hem recht in de ogen te kijken tot hij als eerste wegkijkt. Een simpel trucje om arrogante leerlingen op hun plaats te zetten en voor eens en altijd duidelijk te maken wie de touwtjes in handen heeft. 'Gezag is de kunst van niet wegkijken.' Ik had kunnen weten dat dramadocenten een voorliefde hebben voor tragedies.

De dag nadien besloot ik het trucje in de praktijk te brengen. Na de zoveelste waarschuwing aan de zelfverklaarde klasclown van de vijfdejaars, sloeg ik mijn armen over elkaar, leunde tegen het bureau en keek de leerling in kwestie strak aan, precies zoals de docent had geadviseerd. Na tien seconden ononderbroken oogcontact begon ik me licht ongemakkelijk te voelen. De jongen wendde zijn blik niet af. In de plaats daarvan krulde hij zijn mondhoeken tot een scheve glimlach en keek recht terug, zijn blik onbevreesd – een pokerface die de zet van zijn tegenstander afwacht.

Na nog eens tien seconden voelde ik paniek opwellen. In mijn hoofd vervloekte ik de dramadocent en zijn tegeltjeswijsheden, terwijl ik me steeds nadrukkelijker afvroeg waar de grens lag tussen gezag en ongepast gedrag jegens minderjarigen. Ik was vierentwintig jaar en had geen idee waar ik mee bezig was.

'Je hoeft niet rood te worden, mevrouw!'
Ik verbrak meteen het oogcontact. Met een nerveus lachje hervatte ik de les, schijnbaar onverstoorbaar, het gegniffel van de leerlingen en mijn laatste restje waardigheid uitdovend in de achtergrond. Onbevreesde leerling versus naïeve beginnende leerkracht: 1-0.

Sindsdien vertrouw ik alleen nog op mijn eigen instincten. En op de kracht van hoge hakken. 

Aflevering 1: Koning van de legotoren


'Ik ben de mooiste van de hele wereld!'

Mijn jongste zoon zet een stap dichter naar de spiegel, heft zijn kin omhoog en kruist zijn armen over elkaar. Zo blijft hij enkele seconden staan, kordaat en onbevreesd, zijn SpongeBob-pyjama slobberend om zijn lijf als een cape van ongelimiteerd zelfvertrouwen.

'Nietes!' roept mijn oudste terwijl hij zijn broer een duw geeft tegen zijn schouder. 'Ik ben de mooiste! En ook de sterkste!' Zijn stem klinkt vastberaden, doordrenkt met de vanzelfsprekende autoriteit waarmee eerstgeborenen alles beter weten. Om zijn woorden kracht bij te zetten, stroopt hij zijn pyjamahemd naar boven en trommelt enkele keren met zijn handpalmen op zijn blote buik.

Ik lig languit op bed en kijk toe hoe mijn zonen hun plek opeisen voor de spiegel, blakend van zelfvertrouwen, duwend en discussiërend over wie de grootste spierballen heeft, terwijl ik me afvraag hoe lang deze schijnbaar onverwoestelijke zelfzekerheid nog zal standhouden.

Mijn kinderen hebben weinig last van bescheidenheid. Finn is naar eigen zeggen zowel de beste rekenaar als de snelste lezer van de klas. In Noahs maandelijkse ranglijst van beste vrienden prijkt zijn eigen naam steevast in de top drie. Wanneer ik naar hun talenten pols, volgt een ellenlange opsomming aan kwalificaties: kampioen beybladen, meester in verstoppertje, koning van de hoogste legotoren, uitvinder van geheime handdrukken – een mini-cv van kleine mensen met grootse ambities.

Stel ik dezelfde vraag aan mijn zestienjarige leerlingen, dan blijft het oorverdovend stil in de klas. Sommigen halen hun schouders op, anderen prutsen wat aan hun pennenzak, terwijl de rest me aankijkt alsof ik zojuist een onoplosbaar vraagstuk uit de kwantumfysica heb voorgelegd. Nu ben ik na veertien jaar lesgeven inmiddels wel gewend aan verwarde blikken en bijhorende radiostilte; deze keer overspoelt me toch een golf van teleurstelling. Wanneer zijn we gestopt met het schaamteloos etaleren van onze talenten? Met geloven dat we onverslaanbaar zijn? Met onszelf de mooiste van de hele wereld te vinden? Wanneer zijn we gestopt met onszelf mee te rekenen als beste vriend?

Enkele dagen na de spiegelstrijd zit ik in de zetel tussen mijn kinderen en lees hen een Griekse mythe voor. 'Er was eens een vrouw, genaamd Helena, die de allermooiste was van de hele wereld en ' 'Mooier nog dan jou, mama?' onderbreekt Noah me. Mijn jongste zoon kijkt me aan met grote, vragende ogen. Geen ironie. Geen spot. Oprechte verwondering, alsof het idee dat er een mooiere vrouw zou bestaan dan zijn mama ronduit absurd was.

Ik glimlach. 'Je hebt gelijk,' zeg ik. 'Dat is inderdaad onmogelijk.' Noah knikt goedkeurend en nestelt zich dichter tegen me aan. Ik sla mijn arm om hem heen, geef hem een kus op zijn kruin en begin opnieuw. Zelfvertrouwen is besmettelijk.

'Er was eens een vrouw, genaamd Helena, die bíjna even mooi was als ik.'