La dolce vita van het onderwijs (aflevering 4)

Volgende week trek ik met mijn leerlingen naar Rome.
De apotheose van hun schoolcarrière, de ultieme afsluiter van het laatste jaar. Vijf dagen zon, cultuur, zoemende Vespa's en pizza's op terrasjes. Rome zien en afstuderen. Slechts één klein detail: we gaan met de bus. Twintig uur, vijftig leerlingen, dertig vierkante meter – La dolce vita van het onderwijs.
Mijn vrienden verklaren me gek. Waarom zou ik in godsnaam vrijwillig meegaan op een busreis met vijftig pubers? Een reis die ik bovendien zelf mee organiseer, in de naïeve veronderstelling dat een groep tieners met gierende hormonen ooit tevreden kan zijn. Eenmaal ter plaatse ben je als leerkracht alles tegelijk: toezichter, gids, mama, potentiële brandblusser en – niet onbelangrijk – eindverantwoordelijke voor hun leven.
Mijn jongere zelf had zich allang uit de voeten gemaakt. Leerkracht worden was nooit het plan. Met twee ouders in het onderwijs was ik vastberaden mijn eigen pad te volgen. Na een reeks sollicitaties belandde ik uiteindelijk als communicatiemedewerker in een IT-bedrijf. Een wereld waar ik geen jota van begreep ...
Hoe ik erin geslaagd ben, weet ik nog steeds niet; maar ik bleek verrassend goed in mijn job. Als er een prijs bestond voor het verkopen van de meeste ERP-systemen zonder enig idee te hebben wat ze deden, had ik ongetwijfeld goud gewonnen. Ik blufte me door gesprekken met IT-managers, goochelde met vakjargon en prees de nieuwste software alsof ik ze zelf had ontworpen.
In het midden van het kantoor stond een groot whiteboard waarop een rangschikking werd bijgehouden van wie er per week de beste resultaten had behaald. Hoe meer plaatsen ik mijn naam naar boven zag verschuiven, hoe fanatieker ik raakte. Ik werd een targets-terrorist.
Na enkele maanden was het zover: mijn naam verscheen bovenaan het bord. De manager noemde me 'één van de meest beloftevolle starters op de werkvloer'. Mijn carrière was gelanceerd. De mogelijkheden waren eindeloos.
Ik ervaarde vooral leegte. Nooit eerder had ik me zo ontzettend zinloos gevoeld.
Twee dagen later diende ik mijn ontslag in. De week daarna startte ik een interimopdracht in het onderwijs. Zonder ervaring, zonder lerarenopleiding, zonder lesmateriaal om op terug te vallen. Alles was nieuw. Ik puzzelde tot laat in de avond lessen in elkaar, improviseerde aan de lopende band, ontweek moeilijke vragen – een vaardigheid die ik mezelf ondertussen vakkundig eigen had gemaakt – en hoopte vooral dat ik niet door de mand zou vallen.
Het was verwarrend. Overweldigend. Intens. Ik vond het heerlijk.
Veertien jaar later improviseer ik nog steeds, alleen valt het minder op. Ik ben een ramp in administratie. Ik heb een hekel aan nutteloze vergaderingen en klassenraden die eindeloos blijven duren. De koffie in de leraarskamer smaakt naar zeep. Maar ik hou van lesgeven. Van gesprekken die uit de bocht gaan. Van leerlingen die me scherp houden. Van de twijfel, het zoeken, de verwondering, het gevoel dat je bijdraagt aan iets groter dan jezelf.
En heel af en toe krijg je het voorrecht om deel uit te maken van één van de meest onvergetelijke ervaringen uit een schoolcarrière. Vijf dagen Rome. Twintig uur onderweg. Vijftig verhalen in wording. Dat alleen al is me veel meer waard dan mijn naam op een whiteboard.
Of mijn lijf daar na twintig uur nog hetzelfde over denkt, is een ander verhaal.
