aflevering 9: stem B

30-07-2026

Stem B

'Waar is je brooddoos?'

Het is donderdagochtend en we hebben nog exact tweeëntwintig minuten om op tijd op kamp te geraken. De gang ruikt naar natte handdoeken, bananenschil en lichte wanhoop. Finn draagt twee verschillende kousen, Noah zoekt zijn pet terwijl hij hem draagt en ik probeer een boterham met kaas in een brooddoos te leggen die nergens te vinden is.

'Nog op kamp, denk ik,' zegt Finn. 'Voor de derde keer deze week?' vraag ik. Hij haalt zijn schouders op. In mijn hoofd wordt halsoverkop een pedagogische crisisvergadering samengeroepen. Ik hoor mezelf al praten met Stem B. De stem waarvan ik vroeger zeker wist dat ik ze nooit zou gebruiken. Stem B is laag, traag en gevaarlijk. Ze zegt dingen als 'Eigen schuld' of 'Dan heb je pech.' Stem B gelooft in consequenties, karaktervorming en kinderen die later hun belastingen op tijd indienen dankzij één gemist middagmaal op kamp.

Stem A zoekt intussen al een nieuwe brooddoos in de kast. In die kast wonen twaalf deksels zonder doos, drie dozen zonder deksel, een verdacht plastic potje van een ijsje uit 2023, en een drinkbus die sinds een schooluitstap naar Harry Malter een geur verspreidt die grenst aan chemische oorlogsvoering. Ik graai erin als een archeoloog van mijn eigen falend huishouden.

'Je moet leren zorg dragen voor je spullen,' zeg ik terwijl ik bijna struikel over een rugzak die ik zelf de avond ervoor in de weg heb gezet. Ik hoor mezelf zuchten. Dramatisch. Theatraal. Een zucht met een soundtrack. Noah kijkt op en vraagt of ik boos ben of gewoon oud. Ik zeg dat beide opties op dit uur mogelijk zijn.

Ergens achteraan in de kast vind ik een oude Spiderman-brooddoos. Het deksel past niet helemaal. Stem B vindt de brooddoos een pedagogische capitulatie. Stem A zoekt intussen een elastiek. Binnenin leg ik boterhammen, komkommer en een briefje dat ik niet van plan was te schrijven. 'Breng vandaag twee brooddozen mee. Kusjes, mama.' Ik laat de boze smiley achterwege. Dat is mijn vorm van zen.

Tien minuten later rijden we richting kamp. De crisis is voorbij. Op de achterbank discussiëren mijn kinderen alweer over Yamal en Mbappé. Ik schud mijn hoofd. Mijn gedachten dwalen af naar een nachtmerrie die telkens terugkwam tijdens mijn eerste zwangerschap.
Ik droomde dat mijn baby piepklein was. Niet prematuur klein, maar huiveringwekkend klein, met minuscule handjes en voetjes – een David Lynch-versie van een Playmobilpoppetje. Wanneer vrienden op bezoek kwamen, sloeg ik elke keer opnieuw in paniek omdat ik vergat waar ik mijn baby had neergelegd. Mijn onderbewustzijn bleek even weinig subtiel als de omvang van mijn buik. Ik zou de slechtste moeder ter wereld worden.
Tegen de tijd dat de herinnering wegebt, hebben Yamal en Mbappé het afgelegd tegen Messi en Ronaldo. Ik parkeer de auto en draai me om. 'Twee brooddozen,' zeg ik. Finn knikt. We weten allebei dat dat niets betekent. Ik weet tenminste waar ik mijn kinderen heb achtergelaten.

Die avond brengt Finn drie brooddozen mee naar huis.

Stem B zwijgt.

Share