De (on)zekere wereld van Julie

37 jaar, moeder van twee zonen en leerkracht Nederlands. Verliefd op Max Porter en Connie Palmen. Parttime volwassene die het leven onder controle heeft; fulltime navigator door chaos en rondslingerende legoblokjes. Fervente voorstander van de reddende kracht van ironie, zelfrelativering en prosecco. En sinds kort officieel: struggelende schrijfster van columns.

Over moederschap zonder Pinterest-perfectie, pokerfaces in de klas en professioneel doen alsof je weet waarmee je bezig bent. Over de rommelige werkelijkheid achter het keurige plaatje. Over zelfvertrouwen dat komt en gaat. Over het leven, de dood en alles daartussenin.

Soms scherp, soms zacht, altijd eerlijk.

Welkom in mijn (on)zekere wereld.

Volg me op Instagram


Aflevering 2: de kracht van hoge hakken

Op de eerste schooldag draag ik altijd hakken.

Het is mijn manier om zelfzekerheid te veinzen, een poging tot het trotseren van de tientallen blikken op mijn gezicht. Elke stap is een schaakstuk. Berekend. Trefzeker.
Het getik op de tegels als dekmantel voor mijn ongemak.

Pubers zijn meedogenloos. Vanaf het moment dat je als leerkracht het klaslokaal betreedt, vallen alle zekerheden weg. Ze zien alles. Ze registreren alles. Je ademt diep in, recht je rug en doet alsof je weet waarmee je bezig bent, beseffende dat elke blunder, elke verspreking, elke kapotte rits of verkeerd geknoopte blouse onherroepelijk tot je ondergang kan leiden. Langzaam maar zeker voel je alle houvast wegglippen tot er niets overblijft dan lijdzaam toekijken hoe het klaslokaal transformeert tot een arena van afkeurende blikken, hun opgetrokken wenkbrauwen en rollende ogen als permanente afwijzing van je gezag. Lesgeven is een strijd.

Tijdens mijn lerarenopleiding werd een oplossing aangeboden. Een gastdocent drama raadde aan om, als een leerling je gezag ondermijnt, hem recht in de ogen te kijken tot hij als eerste wegkijkt. Een simpel trucje om arrogante leerlingen op hun plaats te zetten en voor eens en altijd duidelijk te maken wie de touwtjes in handen heeft. 'Gezag is de kunst van niet wegkijken.' Ik had kunnen weten dat dramadocenten een voorliefde hebben voor tragedies.

Da dag nadien besloot ik het trucje in de praktijk te brengen. Na de zoveelste waarschuwing aan de zelfverklaarde klasclown van de vijfdejaars, sloeg ik mijn armen over elkaar, leunde tegen het bureau en keek de leerling in kwestie strak aan, precies zoals de docent had geadviseerd. Na tien seconden ononderbroken oogcontact begon ik me licht ongemakkelijk te voelen. De jongen wendde zijn blik niet af. In de plaats daarvan krulde hij zijn mondhoeken tot een scheve glimlach en keek recht terug, zijn blik onbevreesd – een pokerface die de zet van zijn tegenstander afwacht.

Na nog eens tien seconden voelde ik paniek opwellen. In mijn hoofd vervloekte ik de dramadocent en zijn tegeltjeswijsheden, terwijl ik me steeds nadrukkelijker afvroeg waar de grens lag tussen gezag en ongepast gedrag jegens minderjarigen. Ik was vierentwintig jaar en had geen idee waar ik mee bezig was.

'Je hoeft niet rood te worden, mevrouw!'
Ik verbrak meteen het oogcontact. Met een nerveus lachje hervatte ik de les, schijnbaar onverstoorbaar, het gegniffel van de leerlingen en mijn laatste restje waardigheid uitdovend in de achtergrond. Onbevreesde leerling versus naïeve beginnende leerkracht: 1-0.

Sindsdien vertrouw ik alleen nog op mijn eigen instincten. En op de kracht van hoge hakken. 

Aflevering 1: de koning van de lego-toren


'Ik ben de mooiste van de hele wereld!'

Mijn jongste zoon zet een stap dichter naar de spiegel, heft zijn kin omhoog en kruist zijn armen over elkaar. Zo blijft hij enkele seconden staan, kordaat en onbevreesd, zijn SpongeBob-pyjama slobberend om zijn lijf als een cape van ongelimiteerd zelfvertrouwen.

'Nietes!' roept mijn oudste terwijl hij zijn broer een duw geeft tegen zijn schouder. 'Ik ben de mooiste! En ook de sterkste!' Zijn stem klinkt vastberaden, doordrenkt met de vanzelfsprekende autoriteit waarmee eerstgeborenen alles beter weten. Om zijn woorden kracht bij te zetten, stroopt hij zijn pyjamahemd naar boven en trommelt enkele keren met zijn handpalmen op zijn blote buik.

Ik lig languit op bed en kijk toe hoe mijn zonen hun plek opeisen voor de spiegel, blakend van zelfvertrouwen, duwend en discussiërend over wie de grootste spierballen heeft, terwijl ik me afvraag hoe lang deze schijnbaar onverwoestelijke zelfzekerheid nog zal standhouden.

Mijn kinderen hebben weinig last van bescheidenheid. Finn is naar eigen zeggen zowel de beste rekenaar als de snelste lezer van de klas. In Noahs maandelijkse ranglijst van beste vrienden prijkt zijn eigen naam steevast in de top drie. Wanneer ik naar hun talenten pols, volgt een ellenlange opsomming aan kwalificaties: kampioen beybladen, meester in verstoppertje, koning van de hoogste legotoren, uitvinder van geheime handdrukken – een mini-cv van kleine mensen met grootse ambities.

Stel ik dezelfde vraag aan mijn zestienjarige leerlingen, dan blijft het oorverdovend stil in de klas. Sommigen halen hun schouders op, anderen prutsen wat aan hun pennenzak, terwijl de rest me aankijkt alsof ik zojuist een onoplosbaar vraagstuk uit de kwantumfysica heb voorgelegd. Nu ben ik na veertien jaar lesgeven inmiddels wel gewend aan verwarde blikken en bijhorende radiostilte; deze keer overspoelt me toch een golf van teleurstelling. Wanneer zijn we gestopt met het schaamteloos etaleren van onze talenten? Met geloven dat we onverslaanbaar zijn? Met onszelf de mooiste van de hele wereld te vinden? Wanneer zijn we gestopt met onszelf mee te rekenen als beste vriend?

Enkele dagen na de spiegelstrijd zit ik in de zetel tussen mijn kinderen en lees hen een Griekse mythe voor. 'Er was eens een vrouw, genaamd Helena, die de allermooiste was van de hele wereld en ' 'Mooier nog dan jou, mama?' onderbreekt Noah me. Mijn jongste zoon kijkt me aan met grote, vragende ogen. Geen ironie. Geen spot. Oprechte verwondering, alsof het idee dat er een mooiere vrouw zou bestaan dan zijn mama ronduit absurd was.

Ik glimlach. 'Je hebt gelijk,' zeg ik. 'Dat is inderdaad onmogelijk.' Noah knikt goedkeurend en nestelt zich dichter tegen me aan. Ik sla mijn arm om hem heen, geef hem een kus op zijn kruin en begin opnieuw. Zelfvertrouwen is besmettelijk.

'Er was eens een vrouw, genaamd Helena, die bíjna even mooi was als ik.'